Over beugels en ‘plotse’ blessures
Een beugel en ineens vaker geblesseerd. Kan dat?
Een kind krijgt een beugel en raakt kort daarna tijdens het sporten geblesseerd. Een enkelverzwikking, knieklachten of ineens wat minder stabiel bewegen.
Heeft dat iets met elkaar te maken? Die vraag is interessant!
Want hoewel een beugel natuurlijk in de mond zit, betekent dat niet automatisch dat de effecten ervan ook tot de mond beperkt blijven. Ons lichaam werkt nu eenmaal niet in losse onderdelen.
Wat heeft je mond met je balans te maken?
Om goed te kunnen staan, lopen, rennen en springen moeten je hersenen voortdurend weten waar je lichaam zich bevindt.
Daarvoor gebruiken ze informatie vanuit verschillende systemen. Je ogen spelen een rol, je evenwichtsorgaan, maar ook receptoren in spieren, pezen en gewrichten. Dat laatste noemen we proprioceptie. Maar ook vanuit je mond komt continu informatie binnen.
Rondom onze tanden zitten bijvoorbeeld kleine mechanoreceptoren in het parodontale ligament. Die registreren heel nauwkeurig hoeveel kracht er op een tand komt en vanuit welke richting.
Ook de kaakgewrichten en kauwspieren leveren informatie aan het zenuwstelsel.
Een belangrijke rol hierin speelt de nervus trigeminus, de vijfde hersenzenuw. Via deze zenuw komt veel sensorische informatie vanuit tanden, mond en kaak in de hersenstam terecht. Daar bestaan weer verbindingen met onder andere de vestibulaire kernen, die betrokken zijn bij ons evenwicht.
Je mond staat neurologisch dus helemaal niet los van je balans.
En dan plaatsen we een beugel…
Met een vaste beugel worden krachten op de tanden uitgeoefend. Daarmee verandert ook de informatie die de receptoren rondom die tanden doorgeven. Daarnaast kunnen de contacten tussen boven- en ondergebit veranderen, kunnen tanden gevoelig zijn en wordt er soms tijdelijk anders gekauwd.
Je zenuwstelsel krijgt dus ineens andere informatie binnen en moet daar iets mee.
Het moet die nieuwe informatie opnieuw combineren met informatie vanuit je ogen, evenwichtsorgaan, spieren en gewrichten om je bewegingen goed te kunnen blijven aansturen. Dat noemen we sensorimotorische adaptatie. En dat is niet alleen een osteopathische gedachte. Bij jonge topsporters is de balans gemeten vóór het plaatsen van een vaste beugel en vervolgens op dag 1, 3, 7, 14 en 30 erna. Vooral rond de derde dag na plaatsing bleek de dynamische balans tijdelijk verminderd. Zeker wanneer een kind (fanatiek) sport.
Hoe kijk ik hier als osteopaat naar?
Binnen de osteopathie kijk ik niet alleen naar de plek waar uiteindelijk een klacht ontstaat, maar vooral naar de relaties in het lichaam.
De tanden en occlusie (hoe het gebit op elkaar sluit) staan functioneel in relatie tot de onderkaak, de kaakgewrichten, kauwspieren, het tongbeen en de musculatuur van de nek. De positie en beweging van het hoofd maken vervolgens weer deel uit van de manier waarop het hele lichaam zijn houding en balans organiseert.
Daarmee bedoel ik niet dat een tand die door een beugel wordt verplaatst vervolgens je bekken “scheef trekt”. Zo simpel werkt het natuurlijk niet. Ik vind de neurologische relatie veel interessanter.
Er verandert ergens in het lichaam sensorische informatie en het zenuwstelsel moet zich daaraan aanpassen. Dat is eigenlijk precies waar we binnen de osteopathie veel mee bezig zijn: niet alleen kijken waar iets gebeurt, maar ook wat de gevolgen daarvan kunnen zijn voor het functioneren van het geheel.
Kun je het lichaam helpen wennen?
Dat is vervolgens natuurlijk de volgende vraag.
Als we weten dat de balans tijdelijk kan veranderen, zou je dan in die eerste dagen niet juist de proprioceptie gecontroleerd kunnen trainen? Ik denk dat dat bij sportende kinderen interessant kan zijn. En dan bedoel ik niet meteen moeilijke oefeningen op een wiebelplank. Begin gewoon eens met op één been staan. Eerst op een stabiele ondergrond. Gaat dat goed? Maak een kleine kniebuiging, beweeg het andere been rustig naar voren en achteren of gooi een bal over. Daarna kun je het langzaam moeilijker maken.
Het doel is niet om een kind zoveel mogelijk uit balans te brengen. Het doel is juist om het zenuwstelsel gecontroleerd te laten oefenen met het verwerken van alle verschillende informatie.
Proprioceptieve en neuromusculaire training wordt binnen de sport al veel gebruikt en kan het risico op bepaalde blessures verminderen. Of kinderen door dit soort oefeningen na het plaatsen van een beugel daadwerkelijk sneller hun normale balans terugkrijgen, is niet bewezen maar met kennis van de anatomie, fysiologie en neurologie is dit wel een hele logische en osteopathische gedachte.
Dus niet sporten na het plaatsen van een beugel?
Nee hoor. Er is geen reden om ieder kind na het plaatsen van een beugel een week langs de kant te zetten. Maar bij een kind dat fanatiek voetbalt, hockeyt, turnt, danst of een andere sport doet waarbij veel gevraagd wordt van balans en coördinatie, zou ik er de eerste dagen tot twee weken wel rekening mee houden.
Even wat extra aandacht voor balans en proprioceptie voordat de training begint. Gecontroleerd opbouwen en vooral kijken hoe het kind reageert. Het plaatsen van een beugel verandert de sensorische informatie vanuit mond en gebit en daardoor kunnen tijdelijk veranderingen in de dynamische balans voorkomen met blessures tot gevolg.
Na het plaatsen van een beugel moeten dus niet alleen de tanden even wennen maar het zenuwstelsel ook!
Kleine opmerking: dit stuk is geschreven vanuit de balans en coördinatie van het zenuwstelsel maar osteopathisch speelt bijvoorbeeld het craniosacrale systeem en de nog altijd aanwezige embryonale voorkeursbewegingen ook een sterke rol. Osteopathie kijkt niet naar slechts één systeem, het legt juist de verbindingen tussen de diverse samenwerkende systemen.